INLEIDING
a De relatie tussen hennep en zeilen
b Zeilen van hennep en wind vervulden de rol van huidige fossiele brandstoffen
c Twee grondstoffen voor zeilen: wol bij de Vikingen en hennep bij de VOC.
d Zeilen zijn van alle tijden.
1 DE WOORDEN ZEIL en ZEILEN IN ONZE TAAL
1a Etymologisch
1b Spreekwoorden
1c Citaten
2. HISTORISCH ZEILEN BETEKENDE CULTURELE UITWISSELING
2a Mijn beschaving is meer beschaafd dan jouw beschaving
3. VIKINGEN EN ZEILEN VAN WOL
3a Tentoonstelling over de vikingen in Rouen
3b De schepen van de Vikingen
3c De voorgeschreven kleding van een Noorse zeeman
3d De productie van enorme hoeveelheden textiel.
3e Vikingvrouwen en weven: culturele, intercontinentale uitwisseling
3f Tentoonstelling over de Vikingen in Rouen, vervolg van 2a
3g Hoe lang werkten vikingvrouwen aan het zeil voor de vikingboot?
3h Niet romantiseren
4 ZEILDOEK: OVER VOC, DE WIC EN ANDERE SCHEPEN
4a Hoeveel VOC schepen en andere scheepstypen?
4b Achtergrondinformatie over de VOC.
4c Kaapvaart
4d Beursgenoteerd bedrijf met staatsbevoegdheden
4e de West-Indische Compagnie
4f Voorproefje/terzijde: VOC, WIC en Textiel.
4g Hennep uit Rusland
5 DE ZEILEN VAN DE SCHEPEN
5a Ieder zeil heeft een eigen naam en eigen afmetingen
5b Hoe werkte een zeilmaker?
6 AMBACHTEN ROND HENNEP UIT KROMMENIE: ZEILDOEKHISTORIE
6a Niet genoemde beroepen, onbetaalde ambachten
6a1 De voorwaarden scheppende fases
6b Hoeveel werd geweven in Krommenie en Assendelft
6c Het beroep rolmeter
6d Het beroep rolreder
7 VIJFTIEN HENNEPKLOPMOLENS
7a De hennepklopmolen
7b De oliemolen
7c: De beukmolen
7d De arbeidsomstandigheden in de hennepklopmolen.
8 VAN PLANT IN AMBACHTELIJKE STAPPEN NAAR GEWEVEN VOC ZEILDOEK
8a Van de hennepplant naar het geweven Nederlands VOC zeildoek in 25 stappen.
9 MOGELIJK WAS SPRAKE VAN IMPORT VAN HALFFABRIKATEN
10 DE KLEUR VAN HENNEP ZEILEN
11 HOE KWAM EEN EINDE AAN DE ZEILDOEKEN VAN HENNEP?
11a De stoommachines
11b Zeildoekmakerijen bestaan nog steeds
11c Het traditionele ambacht wordt doorgegeven
12 HENNEP NU
Inleiding
a DE RELATIE TUSSEN HENNEP EN ZEILEN
Aan het begin van het eerste hennephoofdstuk schatte ik niet in dat het onderwerp hennep in relatie tot textiel zo groot zou zijn.
Maar gaandeweg kwamen algemene kleine feitjes die iedereen wel weet over zeilschepen van vroeger en ‘handel’ in verband te staan met de van hennep gemaakte zeilen.
Dat ik met het onderwerp hennep uit zou komen bij de VOC, de WIC…had ik niet gedacht.
Ik associeerde de VOC met de rijke kringen…mensen die de mooiste kleding konden laten maken en daarin poseerden voor de mooiste portretten… en kruiden natuurlijk.
Bij hennep dacht ik lang alleen aan kleding voor soldaten aan het front, aan werkpakken voor mijnwerkers en goudzoekers.
Hennep enerzijds en de grachtengordel anderzijds: het leken me twee werelden.
Langzaam leerde ik: die verre landen waar onder andere die mooie stoffen werden gehaald, bereikte men met zeilboten.
De zeilen op die boten dienden ongekend sterk te zijn: dus hennep was daarvoor zeer geschikt.
Ik ontdekte: in Krommenie en Assendelft bestonden eeuwenlang hennepweverijen voor de zeilen van de VOC; de ervaring en kennis over weven van zeildoek had de plaatselijke bevolking opgedaan door thuis te weven.
Ze weefden, van gesponnen hennepgaren, doeken waarvan in de zeilmakerijen zeilen werden gemaakt: voor de schepen van de VOC en de WIC.
De VOC schepen zouden niet hebben gevaren zonder die zeilen.
En…waar het mij om te doen is :-)…die zeilen kwamen niet uit de lucht vallen…ze werden met de hand gemaakt nadat de grondstoffen waren gezaaid en geoogst en bewerkt en tot banen zeildoek geweven. En daarnaast niet vergeten: er waren ook kilometers touw nodig voor één zeilschip. Van hennep.
b ZEILEN VAN HENNEP EN WIND VERVULDEN DE ROL VAN HUIDIGE FOSSIELE BRANDSTOFFEN
Zoals nu olie en benzine nodig zijn om vrijwel ieder vervoer- of transportmiddel in beweging te krijgen, zo was vierhonderd jaar geleden hennep nodig om windkracht te vangen om een boot, maar ook een windmolen in beweging te krijgen.
In diezelfde Zaanstreek stonden destijds ongeveer duizend molens. Eigenlijk werken die hetzelfde als een zeilboot: je zet de wieken op de wind.
Wanneer er weinig wind is, gebruikt de molenaar zeilen.
In veel opzichten was hennep destijds, voor de touwen en de zeilen op windmolens en zeilboten het equivalent van de hedendaagse fossiele brandstoffen.
Zoals het bizar veel effect heeft op de wereldeconomie wanneer een doorvoerroute voor olie via zee, luchtruim of weg is afgesloten (onze hebbedingetjes uit China komen dan niet onze kant op), zo had geen handelsschip in de Gouden Eeuw de begeerde handelswaar kunnen leveren zonder zeilen op de boten, zo had geen molen het hout kunnen zagen waar de schepen mee werden gebouwd.
Nu vaart een schip op olie, benzine.
Toen voer een schip, draaide een molen op wind. Die wind kon je vangen met zeilen. Die zeilen kon je hijsen, op de wind zetten met touw.
– Die zeilen werden met de hand met naald en draad gemaakt.
– Het zeildoek was handmatig geweven.
– Het garen voor dat weefsel was gesponnen.
– De vezels voor het garen waren veroverd ( via rotten en via het breken van de schil) uit de stengel van de hennepplant.
– Die hennepplant was geoogst.
– Die hennepplant was gezaaid.
– Het zaaigoed was een jaar eerder gedroogd en verzameld.
De touwen en de zeilen op windmolens en zeilschepen brachten voortgang in de schepen en in de molens, op een manier die we kunnen vergelijken met de fossiele brandstoffen van nu.
c VOORBEELDEN VAN TWEE GRONDSTOFFEN VOOR ZEILEN
Dat de Vikingen zeer bijzondere zeilen op hun schepen hadden, las ik in het boek van de Gouden Draad.
De vikingen maakten hun zeilen van wol en de VOC-schepen maakten hun zeilen van hennep.
d ZEILEN ZIJN VAN ALLE TIJDEN
Zowel zeilen van wol als zeilen van hennep horen bij tijdperken van weleer.
Dat wil niet zeggen dat de zeilvaart, noch de daarbij horende zeilen uit de tijd zijn: er bestaan moderne zeilmakerijen.
Hedendaagse zeilen worden computergestuurd gemaakt van kunststof, fossiel textiel, maar het ambacht om zeilen te maken doet niet onder voor het ambacht van eeuwen geleden rond de VOC- en WIC vertrekhavens.
Vóór de wol en de hennep werden zeilen gemaakt van linnen en reeds vanaf midden negentiende eeuw deden zeilen van katoen hun intrede.
1 DE WOORDEN ZEIL en ZEILEN IN ONZE TAAL
a ETYMOLOGISCH
Wellicht is het even wennen dat zeilen en de rijkdom van de Gouden Eeuw in zo’n nauw verband staan.
Zoals we de prehistorie liever steentijd noemen, zo associëren we de oorlogsvloot, de handelsvloot, de visserijvloot liever met de benaming voor de houten modellen. Dat al die boten zeilen (en wind) nodig hebben om ergens te komen….de naam zeilboot zegt dat eigenlijk al.
Een handeling, een wetenschap kan verdwijnen uit de cultuur, maar wanneer het waardevol of van betekenis was dan blijft het woord of de uitdrukking als metafoor erover wel bestaan.
Zeilen: woorden met de ei komen etymologisch in het Nederlands voort uit een samentrekking van een ouder woord met – egi. Het woord peil komt van pegel, teil komt van tegel. Zo komt zeil van zegel.
In het Oud-Noors is segi: afgescheurd stuk doek.
B UITDRUKKINGEN
Er zijn veel uitdrukkingen in onze taal die met zeilen te maken hebben.
Net als bij touw zijn het vaak positieve kwalificaties en/of vaak bevatten de uitdrukkingen een soort van wijze les, een advies; metaforen voor het leven zelfs
Ik noem:
– de wind in de zeilen hebben: dan ga je vanzelf, met weinig inspanning vooruit
– iemand de wind uit de zeilen nemen: de ander zal zijn/haar doel niet bereiken, je haalt de argumenten van je opponent onderuit.
– wie kan sturen zeilt bij elke wind: wie deskundig is, kan onder alle omstandigheden iets bereiken.
– alle zeilen bijzetten: je uiterste beste doen om iets te bereiken.
C CITATEN
Op sites met spreekwoorden en gezegden met het woord zeilen zijn tientallen spreekwoorden te vinden.
Bij citaten.net vindt men wijze woorden over zeilen:
Euripides zou gezegd hebben: ‘Handelen bij woede is als de zeilen hijsen tijdens een storm’.
‘Het is de stand van de zeilen, niet de richting van de wind die bepaalt welke weg we zullen gaan.’(Jim Rohn – 1930 – 2009)
‘Je kan de richting van de wind niet veranderen, wel de stand van de zeilen.’ die wijsheid wordt aan meerdere mensen toegedicht.
2. HISTORISCH ZEILEN BETEKENDE CULTURELE UITWISSELING
In september 2025 verschijnt de Nederlandse vertaling van het boek van Josephine Quinn – Het Westen – Een 4000 jarige geschiedenis.
In een interview in De Volkskrant legt de schrijfster uit: de Grieken en de Romeinen vormen niet de bakermat van de Westerse samenleving.
De geschiedenis van West-Europa is interessanter en breder.
De stelling van Quinn: er bestond nooit een zuiver Westerse of Europese cultuur. Wat wij nu typisch Westerse waarden noemen – vrijheid, rechtvaardigheid en verdraagzaamheid – is niet van oorsprong Westers, maar het resultaat van oude banden met samenlevingen in het Noorden, Oosten en Zuiden.
De ontmoetingen en onderlinge contacten tussen deze culturen zijn de basis van de historische veranderingen.
Aanvankelijk veronderstelde de schrijfster dat het een geschiedenis van drieduizend jaar zou worden …totdat ze de rol van de zeilschepen ontdekte.
‘Het zeilen was een omslagpunt: zodra mensen ontdekten hoe ze op zee konden zeilen in plaats van op rivieren, en dus verre afstanden konden afleggen, had dit direct effect. Het leidde tot langdurige, betrouwbare relaties tussen mensen die ver van elkaar af woonden.’
En helaas ook tot…. overheersing, inlijving, plunderingen.
Eigenlijk, zo betoogt Josephine Quinn: ‘Het denken in beschavingen is een modern fenomeen. De term ‘beschaving’ als zelfstandig naamwoord, gaat maar terug tot de achttiende eeuw. Het hele idee is een Europese post-renaissance uitvinding.’
2a MIJN BESCHAVING IS MEER BESCHAAFD DAN JOUW BESCHAVING
Het woord beschaving geldt ook als morele onderbouwing voor het West-Europese imperialisme.
Wanneer mensen denken in termen van beschaving dan ligt het voor de hand om ze met elkaar te vergelijken, dan ontstaat al snel een rangorde: mijn beschaving is superieur aan die van jou.
Quinn: ‘We zien onszelf als ‘het Westen is het beste’ en dat heeft consequenties voor bijvoorbeeld hoe we omgaan met vluchtelingen…..’
‘Beschavingen worden gerangschikt……’
Een toevoeging vanuit de rol van textiel: die culturele uitwisselingen van duizenden jaren geleden kwamen nog meer tot stand toen onze voorouders, zeilen gingen maken voor de schepen.
Die culturele uitwisseling kwam nog meer tot stand toen onze voorouders zeilen konden maken voor de schepen.
De Egyptenaren zullen zeilen hebben gemaakt van linnen.
De Vikingvrouwen, ook zij beschikten in ruime mate over mensen die zij tot hun slaaf hadden gemaakt, maakten de zeilen van de vikingschepen van ‘wol’.
3 VIKINGEN EN ZEILEN VAN WOL
2a: TENTOONSTELLING OVER DE VIKINGEN IN ROUEN
In de zomer van ’23 bezoek ik een tentoonstelling in Rouen, in Normandië. Ik ben verwachtingsvol, want ik meen iets te weten over de Vikingen.
Kenden zij niet als eersten speelgoed?
Ook hoop ik bevestigd te zien: de Vikingen maakten hun zeilen van wol.
Maar ook dat onderwerp komt niet aan de orde in de tentoonstelling.
Het ging in de tentoonstelling zelfs niet over het ambacht van het bouwen van hun boten.
Het ging over de strijd der koningen: hoe was Noorman Rollo heerser van Normandië geworden?
Welke andere belangrijke mannen hadden daar een rol bij gespeeld? Welk grondgebied was uitgeruild?
Het historisch animatiefilmpje hierover was sympathiek vormgegeven, alsof de voorstelling op een wandkleed was geborduurd.
Het idee voor die vormgeving is ongetwijfeld ingegeven door het wandkleed van Bayeux. Dit wandkleed uit ongeveer 1200 verbeeldt de strijd tussen de Fransen en de Engelsen De schepen van de Noormannen staan er ook op.
Oké. Dan vertel ik zelf over Vikingen en wol.
2b. DE SCHEPEN VAN DE VIKINGEN
Eerst over de houten schepen van de Vikingen: de constructie is elegant, licht en flexibel. Ze liggen niet diep in het water, reden waarom de Vikingen ook in ondiep water vooruit konden komen. Ze trokken hun boten eenvoudig op een oever. De Vikingen zijn op deze wijze tot in Kiev gekomen.
Het woord ‘Russisch’ komt van het Vikingse ‘roes’.
Het vierkante zeil was multifunctioneel. In de nacht kon het dienen als een deken of als tentdak.
In de zijkanten van de boten zitten gaten voor roeispanen. De hoogte van mast was zeer belangrijk; daaraan hing dus dat zeil.
‘Het waren de zeilen die deze Vikingschepen hun kracht en hun actieradius gaven. (Blz 120 – St. Klair).
Ieder zeil werd op maat gemaakt, precies passend bij het schip: De afstemming tussen schip, mast en zeil luistert zeer nauw: een zeil kan te klein, te groot, te smal, te breed zijn en het kan te laag of te hoog hangen.
Men schat dat het uitrusten van één bemensd Vikingvrachtschip, inclusief zeildoek, zeemanskleding en beddengoed meer dan 200 kilo wol kostte en een equivalent van tien mensjaren aan arbeid.
2c. DE VOORGESCHREVEN KLEDING VAN EEN NOORSE ZEEMAN
Tot diep in de twintigste eeuw beschikten Noorse zeelieden, wanneer ze voor drie maanden naar zee gingen over een voorgeschreven hoeveelheid kleding: stellen ondergoed, tuniek, zeewanten en gewone wanten, grote aantallen lange onderbroeken en kousen. Deze kledingstukken waren gemaakt met de haak- of één-naalds-brei-techniek. Alle kledingstukken waren gemaakt van wol en moesten vaak gestopt (=gerepareerd) worden. Iedere krijger had thuis een vrouw, en/of mogelijk ook een tot slavin gemaakte vrouw die vrijwel heel het jaar werkte aan de outfit voor de zeeman en zijn boot.
Naast het weven van de zeilen en de kleding voor de zeemannen besteedden de vrouwen van de Noormannen ook aandacht aan de eigen kledij.
Ze versierden hun kleding met borduursels van gouddraad.
De Vikingen bezetten Engeland ooit een jaar of drie. De Engelsen beschrijven het uiterlijk van hun bezetter: goed verzorgd, ze wasten zichzelf en hun haar, ze hadden tattoos.
2d DE PRODUCTIE VAN ENORME HOEVEELHEDEN TEXTIEL
De productie van die immense hoeveelheden textiel kon alleen tot stand komen door consistente samenwerking door een grote groep, die grotendeels uit vrouwen bestond.
De schapen uit ónze tijd, die zijn gefokt voor de wolproductie, zijn nauwelijks te vergelijken met de schapen van toen . Een oud-Noords schaap brengt slechts tussen de 1 en 1,5 kilo wol per jaar op, waarvan ongeveer 1/3 geschikt is voor het weven van zeildoek. Dus voordat men kon beginnen aan spinnen, weven en vilten van het zeildoek hadden de vrouwen de zorg gehad voor het zorgen voor een kudde van (geschat) twee miljoen schapen.
Het houden van zoveel schapen vraagt om grond. De Noormannen bezetten vrijwel alle kustgebieden in Noord-West Europa en ook de oevers van de rivieren.
Op al die kuststroken lieten ze hun schapen grazen. In die tijd waren het schapen die nog niet geschoren hoefden te worden. De dieren raakten in de rui. De wol van de dieren zal van tijd tot tijd zijn geplukt, verzameld, getransporteerd.
HOE MAAKTEN DE VIKINGEN HUN ZEILEN?
Over de zeilen schrijft Coulthard: ’Stroken stof van dicht geweven en apart gekleurde wol werden aan elkaar genaaid om een reusachtig en bollend zeil te vervaardigen. Wol is elastisch en die eigenschap komt goed van pas bij de rukwinden tijdens storm op open zee. De kleuren moeten spectaculair zijn geweest. Men kon zwart maken met cichorei, rood maakte men met vlaswarkruid (dat zoeken we op), geel maakte men met de wortels van ganzenvoet en groen kun je maken met pigmenten uit brandnetels.
Ook in dit boek wordt verbijsterd verslag gedaan van de immense hoeveelheid wol en arbeidsuren die nodig waren om het zeil te maken. Voor het zeil van een schip van dertig meter was de wol nodig van zevenhonderd schapen. De boot kon in twee weken worden gebouwd door twee mannen. Maar het maken van het zeil vroeg om twintig maal zoveel arbeidstijd.
2E VIKINGVROUWEN, WEVEN EN CULTURELE UITWISSELING
Over VROUWEN EN WEVEN gesproken: ‘Uit archeologische opgravingen, onder andere uit ruim negenduizend jaar oude textielfragmenten, is gebleken dat er op bijna alle Noordse boerenhoeves op IJsland en Groenland werd gesponnen en geweven. In de graven van vrouwelijke Vikingen in heel Noord-Europa duiken bijna steevast spinschijven op. Vrouwen werden vaak in hun beste kleren begraven, samen met meerdere spinschijven als grafgift.’
Wellicht toonden de Vikingen via de spinschijf het besef dat via dit gereedschap was gezorgd voor de kleding van de gezinsleden; een symbool voor zorg over de gezinsleden.
In veel oude culturen maakten mensen anderen tot hun slaaf. Ook de Vikingen.
….De deftige dame in het mooie graf…het kan zijn dat zij het spinnen van de wol en het maken van de kleding kon overlaten aan enkele tot slaaf gemaakten. De dame des huizes was/voelde zich verantwoordelijk voor de productie van wol, maar hoeveel tijd zij zelf aan het maken van draad besteedde…misschien toch wel veel uren.)
Interessant is dat het een spinschijf uit de Noordse cultuur was die is opgedoken op een vindplaats in New Foundland. Het is wetenschappelijk bewezen dat de Inuit vrouwen aan de Noordse vrouwen hebben geleerd om dierlijk materiaal, bijvoorbeeld haren van vossen en hazen, mee te spinnen. (blz. 151 Coulthard)
2f OVER DE VIKINGTENTOONSTELLING IN ROUEN – vervolg 2a
Toch nog iets over textiel: aan het eind van de tentoonstelling – ik bevond me in een zaaltje voor kinderen – stond een soort grote kijkdoos van ongeveer 60 x 60 cm. Daar zaten kijkgaten in en achter ieder vierkante opening viel iets opmerkelijks waar te nemen.
Beschreven werd dat er in Normandië veel gevochten is met de Noormannen, waarbij ook Vikingen omkwamen.
De plaatselijke bevolking had de gewoonte om ’s nachts naar de plaats van de veldslag toe te gaan. Het vinden van een gesneuvelde Viking was lucratief, vanwege de kleding die hij droeg. Vikingen lagen dan ook naakt op het slagveld.
Dat dit iets vertelt over de waarde van textiel…ik hoop dat de kinderen dat zelf concludeerden….
2g DETAILS OVER HET WERKEN AAN HET VIKINGZEIL
Nog enkele details van St. Clair. Blz 131. Het gewicht van het doek varieerde al naar gelang de afmetingen van het beoogde zeil. Voor een zeil van honderd vierkante meter werd een zwaar doek geweven. Het duurde zo’n twintig uur om één meter zeildoek te weven. Vervolgens werd het doek gevold (= gevilt) om te zorgen dat het zijn afmeting behield. Voor het vollen bestonden speciale viltplanken; ook werd de stof soms binnen de vloedlijn gelegd en verzwaard met stenen, zodat eb en vloed het werk deden. Wanneer de stof was vervilt, maakte men het weefsel zoveel mogelijk waterafstotend (met bijenwas) en zoveel mogelijk winddicht. De stof werd geborsteld met visolie en oker, een soort aarde. Als het droog was, streek men dierlijk vet of dennenteer over het doek. Dit maakte de naden aerodynamisch. Deze zeilen konden wel veertig of vijftig jaar meegaan.
2H NIET ROMANTISEREN
Bij dit alles niet de kleine alinea over ‘mijn beschaving is meer beschaafd dan de jouwe’ vergeten…..ik weet niet of die filosofie ook voor de Vikingen het motief was om te roven en te plunderen. Wat er met de vrouwen en meisjes gebeurde in de dorpen aan de rivieren waar de Vikingen hun boot op de oever trokken…..
….dus hoe mooi de zeilen van de Vikingen ook waren, hoe knap de vrouwen die dat zeil konden maken: het doel dat er uiteindelijk mee werd gediend was rampzalig voor samenlevingen, dorpen en culturen.
4 ZEILDOEK: OVER DE VOC en WIC en ANDERE SCHEPEN
4a OVER HOEVEEL VOC-SCHEPEN, OVER WELKE PERIODE PRATEN WE?
De VOC heeft tweehonderd jaar bestaan: zeg maar van 1600 – 1800. Dat waren niet altijd gunstige tijden: bijvoorbeeld in het rampjaar 1672 – Nederland was in oorlog met vrijwel alle landen om ons heen – lag de economie vrijwel stil en bovendien: heel veel landbouwgrond stond, als verdedigingstactiek, onder water.
Dus de nu volgende informatie is globaal juist, maar in tweehonderd jaar doen zich altijd gebeurtenissen voor waarin tegenstellingen tegelijkertijd of achtereenvolgens waar kunnen zijn.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie had zes standplaatsen: Amsterdam en Middelburg waren de belangrijkste.
Op de Middelburgse werven werden in tweehonderd jaar 336 zeilschepen gebouwd.
In Amsterdam werden 683 zeilschepen gebouwd.
Daarbij kwamen de in Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn gebouwde schepen: ruim 430.
In totaal zijn er dus bijna 1500 schepen gebouwd en opgetuigd met zeilen en touwen.
De hennep van de zeilmakerijen uit Krommenie en Assendelft zal bestemd zijn geweest voor de schepen uit Hoorn, Enkhuizen en Amsterdam.
In totaal zijn bijna 1500 schepen gebouwd en opgetuigd met zeilen en touwen…..
…..In totaal zijn ook 247 schepen verloren gegaan.
Ongetwijfeld zijn er ook rond Delft, Middelburg en Rotterdam zeilmakerijen geweest, maar over de regio Krommenie vond ik de meeste informatie.
Gedurende de bijna tweehonderd jaar van het VOC bestaan zijn 4700 schepen naar Azië uitgerust. Gemiddeld voer een schip dus ruim drie, bijna vier keer heen-en-weer. Bijna 1700 afvaarten in de zeventiende eeuw en meer dan 3000 in de achttiende eeuw.
Er zullen reparaties aan de zeilen hebben plaatsgevonden voordat een schip weer opnieuw de oversteek naar Azië maakte. De touwen werden getaand, mogelijk de zeilen ook.
In totaal zijn ook 247 schepen verloren gegaan.
Engeland, Spanje en Portugal hadden vergelijkbare vloten.
En er waren niet alleen de koopvaardijschepen van de VOC of de WIC.
Een site als IsGeschiedenis.nl noemt cijfers als 1300 koopvaarders,
450 kustvaarders, 500 haringbuizen, tientallen oost-indievaarders, oorlogsschepen en honderden overige vissersvaartuigen.
En dit alles in een tijd waarin geen motoren, geen benzine of diesel bestond.
De stoommachine, gestookt met fossiele steenkool, bestond nog niet.
Zeilen wel.
4b ACHTERGRONDINFO VOC
Bij veel mensen heeft de VOC een goede naam, zoals de Gouden Eeuw een goede naam heeft. Wat was ons kleine land belangrijk in die tijd…..de baas van de wereld zelfs?
Nederland had ooit een minister-president die de Nederlandse bevolking wat meer van de VOC-mentaliteit toewenste.
Hij was een vriendelijk M.P. …. hij zal niet beter geweten hebben.
Iedereen heeft een beeld van een zeerover: een Kapitein-Haakachtig type.
Leuk voor de teken- of actiefilm, maar we begrijpen dat we zo’n piraat in het echte leven niet als vijand wensen.
Stel je voor: in de zestiende eeuw in een bootje op zee,
V.O.C. schepen waren tussen de dertig en veertig meter lang. Het laatste wat je wilde dat je schip werd geënterd door zeerovers. Iedere zeerover was op hetzelfde uit: het schip en de eigendommen van een ander inpikken, baas worden over de bemanningsleden.
Er waren ook zeerovers die een vergunning van de staat hadden om op zee te roven. Het was niet alleen Nederland die dat deed. Het was een gangbare handelswijze (al vanaf de Feniciërs) om te roven op zee. Met een vergunning heette je geen rover meer maar kaper. (Maand van de geschiedenis.nl. Kaapvaart: twee gezichten; ook venster 48: geschiedenis Kaapvaart.)
Of je door een rover of een kaper werd gegrepen maakte voor de slachtoffers niet uit: er bleef weinig van hem over en alles van waarde was hij zeker kwijt.
De regeringen gaven die vergunningen uit want kapers waren verplicht om een deel van hun buit als een soort belasting af te dragen.
In de periode dat de VOC werd opgericht was deze handelwijze gangbaar. De te verwachten staatsopbrengsten waren zelfs de reden geweest om de V.O.C. op te richten. Want het voeren van de Tachtigjarige oorlog tegen Spanje kostte veel geld.
Dus wanneer we lezen dat de VOC de eerste achttien jaren nog profiteerde van de Kaapvaart, dan mogen we woord ‘Kaap’ interpreteren als het kapen, het ‘met toestemming’ beroven van een ander schip.
4c BEURSGENOTEERD BEDRIJF MET STAATSBEVOEGDHEDEN
We lezen over de V.O.C. dat dit bedrijf het eerste kapitalistische bolwerk was.
De investeerders kregen veel wind in de rug mee van de Nederlandse regering.
De VOC was een particuliere handelsonderneming; het eerste bedrijf met vrij verhandelbare aandelen, een beursgenoteerd bedrijf.
De Nederlandse regering (op initiatief van johan van Oldenbarneveld) had deze onderneming een monopolie verstrekt: geen enkele ander bedrijf mocht handel drijven in het gebied ten westen van Kaap de Goede Hoop en ten oosten van de straat van Magelhaen.
Maar dat handelsmonopolie was ingebed in nog groter ‘voorrechten’.
Eigenlijk had de Nederlandse regering haar regeringsbevoegdheden uit handen gegeven aan de VOC. Deze hoefde geen verantwoording af te leggen; ze hadden alle bevoegdheden om te handelen zoals hen goed uitkwam.
Gedurende heel haar bestaan had de VOC het alleenrecht op het afsluiten van verdragen, oorlog voeren, te veroveren wat ze wilden en bestuurders aan te stellen.
De VOC had een eigen leger om de handel met de lokale bevolking met dwang te monopoliseren. Rond 1700 was de helft van de VOC medewerkers soldaat, want er waren concurenten; bijvoorbeeld de Portugezen bezaten tot dan toe de handelsposten, maar die werden allemaal verdreven. Het was de VOC slechts ten dele om de handelswaar zelf te doen. Het ging erom dat zij het monopoly bezaten op de handel: wie kaneel wil kopen kan alleen bij ons terecht tegen de prijs die de VOC bepaalde.
In Azië had de VOC, op haar hoogtepunt, 25.000 mensen in dienst.
In Nederland 3000.
De VOC (zie Wikipedia – Verenigde Oost-Indische Compagnie) wordt genoemd als een club die lage lonen uitbetaalde. Zo laag dat werknemers zelf smokkelden, zelf handel dreven (morshandel) of zelf slaven hielden.
Geschiedschrijving over, onderzoek naar de VOC is niet eenvoudig.
Het Nederlandse Ministerie Van Koloniën heeft 80% van het archief verkocht.
Nederlandse Wikipedia: Vereenigde Oostindische Compagnie.
4d HOE RIJK WAS DE VOC?
Hoe rijk was de VOC? In 1637 was de V.O.C. op de beurs 78 miljoen gulden waard. Als je dat omrekent naar nu dan zou dat 7,9 biljoen dollar zijn, zo’n 6.7 biljoen euro. De VOC was verreweg het grootste beursgenoteerde bedrijf dat ooit heeft bestaan.
Het bouwen van een V.O.C. schip in onze tijd zou ongeveer € 15.000.000 bedragen. (Bron: de ruyter.org)
HOE DUUR WAS EEN VOC- schip? (VOC kenniscentrum.nl. via webwoordenboek.nl.)
De gemiddelde bouwtijd van een spiegelretourschip op de werven van de VOC was 5 tot 8 maanden. De bouwkosten bedroegen FL 90.000,- tot Fl 110.000.- . Hun laadvermogen was gemiddeld over twee eeuwen 800 ton. een schip ging ongeveer 15 jaar mee.
4e DE WEST-INDISCHE COMPAGNIE
De Oost-Indische Compagnie leverde zoveel geld op dat er nog zo’n ‘handelsmaatschappij’ werd opgericht.
De West-Indische Compagnie had de andere kant van de wereld als territorium. Ze bestond van 1621 – 1792. In 1674 ging de W.I.C. failliet door corruptie en dure terugkerende oorlogen, maar enkele jaren later kwam er een tweede versie met een iets andere naam.
Van 1674 – 1740 heeft de W.I.C. 383 schepen uitgereed. Ongeveer 600.000 Afrikaanse tot slaaf gemaakten zijn van Afrika naar Amerika door Nederland vervoerd.. De W.I.C naam daarvan de helft voor haar rekenening. Er zijn ook bronnen die getallen noemen van 500.000 door de W.I.C. vervoerde slaafgemaakten.
In totaal zijn ongeveer 11 tot 12.5 miljoen Afrikaanse slaafgemaakten verscheept en verkocht (Zeeuwse Ankers)
Ook de West-Indische Compagnie kende de staatsvergunning tot Kaapvaart; de rooftochten met goedkeuring van de Nederlandse regering, die er vrolijk de beslasting over inde. In 1628 veroverde Piet Hein de Spaanse Zilvervloot.
Dat zilver hadden de Spanjaarden op hun beurt geroofd in ‘hún’ koloniën.
En toen de Kaapvaart eindigde, verleende de Nederlandse regering aan het West-Indische Compagnie het monopoly op handel en scheepvaart, maar dan in het atlantische gebied: West-Afrika, de Cariben en Noord- en Zuid-Amerika.
Het begrip driehoekshandel is bekend: vanuit Europa brachten de schepen wapens en textiel naar Afrika. Afrikaanse heersers ontvoerden hun inwoners en maakten hen tot slaaf. De West-Europese producten werden gebruikt als ruilmiddel. Over textiel gesproken: al deze slaafgemaakten werden gebruikt om te werken op de katoenplantages.
Amerika leverde suiker, koffie, cacao en tabak. De volgeladen schepen kwamen vooral aan in Middelburg, maar ook in Amsterdam.
4e VOORPROEFJE EN TERZIJDE: VOC, WIC EN TEXTIEL
De VOC en de WIC hebben zeer nauwe banden met textiel.
Voor nu enkele voorbeelden.
VOORBEELD 1 : BEAVERSTREET
In april 2026 kijk ik naar tv documentaire met als titel ‘roofstaat’ (omroep Zwart) Presentatrice Simone Weijmans staat in New York en vertelt hoeveel Nederlandse voetstappen liggen in New York. Ze staat in Beaverstreet. Die straat heet zo vanwege de handel in de pelzen van bevers. Dat verbaast me: werd er gehandeld in bont, in leer?
In een dermate heftige mate dat de bevers uitstierven?
De Nederlanders kwamen in New York aan in 1624; de WIC-tijd dus.
In 1626 brengt een schip 7000 bevervachten mee (Nationalgeographic.nl. Werd manhattan in 1624 echt voor slechts 24 dollar verkocht aan Nederland?)
De hermelijnen waren in Nederland al uitgeroeid, dus de bevers vormden een mooie vervanging. Het is niet makkelijk om daar info over te vinden.
Vervolgens zoek ik op ambachten als bontwerkers of leermakers in de Gouden Eeuw. Ik zoek op bonthandelaren….
Dan lees ik ‘de bevervacht werd gebruikt voor een ‘vilten hoed’. Zou de schrijver van die zin geweten hebben dat je vilt van wol maakt?
Vervolgens leer ik bij ‘verdwenen beroepen’ over het beroep van ‘cordaanmaker’
Wat blijkt: vilt is van wol, maar je kunt daar beverharen doorheen mengen.
De beverharen zorgen voor een waterdichte laag van de hoed. Het doek van de Staalmeesters van Rembrandt (Staalmeesters keurden de kwaliteit van de geweven en gevilte lakenstof) hebben alle staalmeesters zo’n bijzondere hoed op met zo’n mooie glans.
VOORBEELD 2: GEEN RUILHANDEL, MAAR EIGEN MUNTEN
In Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, dus er viel niet zoveel te ruilen. Daarom sloeg de VOC tijdelijk een eigen munt. Die zelf geslagen munt gaven ze dus in ruil voor de begeerde goederen.
VOORBEELD 3 en 4: RUILHANDEL
Siberië was voor de VOC een bron van voeding en textiel.
In India werd textiel en zijde geruild tegen huiden. Chinese zijde duikt steevast op als een zeer gewild product.
Bovenstaande voorbeelden dienen voor nu slechts als illustratie over hoeveel geld verdiend kon worden met de combinatie: imponeren met militair overwicht, met de wet in de hand en de wind in de zeilen, machthebbers verleiden met mooie stoffen. De slavernij in Amerika en de katoenteelt staan in een direct verband.
VOC, WIC en textiel worden uiteindelijk een apart hoofdstuk.
Voor nu gaat het erom duidelijk te maken dat de zeilen, gemaakt van hennep, in de Gouden eeuw het equivalent vormden van de hedendaagse fossiele brandstoffen. De zeilen brachten kopers en verkopers, overheersers en slachtoffers, ‘winnaars’ en uitgebuitenen met elkaar in contact.
Er zijn zelfs sites die beweren dat Napoleon Rusland mede binnenviel omdat Rusland weigerde Engeland te boycotten…die boycot ging over hennep.
4g HENNEP UIT RUSLAND
Bij 4a schreef ik dat de VOC-tijd een lange periode beslaat; dat zich in tweehonderd jaar veel tegenstrijdige dingen kunnen voordien die wel tegelijkertijd en/of achtereenvolgens waar kunnen zijn.
Een voorbeeld daarvan wordt beschreven in Verhaal van Utrecht.nl. Hoe “Hennep uit Rusland’ uit het Oostzeegebied in Oudewater terecht kwam.
In het rampjaar1672 werden grote delen van Holland onder water gezet, om de oorlogsvijanden op afstand te houden. We begrijpen: dat was funest voor de landbouw. Ook hennep kon niet worden gekweekt.
Vanaf het eind van de zeventiende eeuw werd er ‘Moscovische’ hennep geimporteerd uit Rusland en de Baltische staten.
De prijzen waren te concurerend voor Nederlandse boeren. De touwslagers uit Oudewater kochten hun hennep bij handelaren uit Amsterdam.
Het werd in bundels aangevoerd bij het Amsterdamse veer.
Ik neem aan dat het woord ‘bundel’ betekent dat het hier al om de vezel gaat, waarmee je direct aan de slag kunt om touw te maken. Er zat namelijk ‘een loodje’ aan de bundel.
Dan is er dus in die Baltische staten al heel hard gewerkt om de hennep-handelswaar te leveren in de door Oudewater gewilde kwaliteit.
Behalve het onder water zetten van de landbouwgrond, brak ook wel eens een dijk door: wederom was verbouw van hennep dan jaren niet mogelijk.
En daar kwamen andere rampen bij; zoals de veepest.
Alle koeien gingen dood. En hennep (nu haalt de plant CO2 als groeistof uit de lucht) had veel mest nodig. Maar vee dat is overleden, geeft geen mest.
Dus nog meer reden om hennep uit Rusland te halen.
In Oudewater (het centrum van de touwmakerij) worden nu nog Russische ‘henneploodjes’ gevonden in de aarde.
5 DE ZEILEN VAN DE VOC-SCHEPEN
5a IEDER ZEIL HEEFT EEN EIGEN NAAM EN EEN EIGEN AFMETING
De definitie van een zeil op een boot: ‘stevig doek, samengesteld uit banen of kleden en met touwlijken omrand, bevestigd aan een ra en bedoeld om winddruk op te vangen om zo het schip voort te brengen.’
Die omschrijvingen komen van een site die uitgebreid verteld over hoeveel zeilen er waren op één schip. vocsite.nl. Ieder zeil had een eigen naam, de vorm was nauw omschreven.
Daar is een woordenlijst te vinden over de zeilen en het tuigage.
Als voorbeelden noem ik vijf zeilen:
bezaanszeil: meestal is dat het grootste zeil van de boot.
Het hoort bij de bezaansmast, dat is de achterste mast.
Een blinde: dwarsscheepszeil, dat onder de boegspriet wordt gevoerd.
Bonaventura: langscheeps zeil aan een kleine mast achter.
Bramzeil: dwarsscheepszeil, derde van onderen.
Gaffelzeil: langscheeps vierhoekig zeil.
Klaverdoek: zeildoek, dunner dan kanefas.
Kanefas: canvas-dik zeildoek van hennep.
In totaal vind ik bij de opsomming zestien namen van zeilen.
Per schip hebben we het over honderden meters canvas.
Over een Engels schip lees ik dat 3 á 4 acres zeil nodig waren voor een groot schip. Dat zou 12.000 vierkante meter zijn? Dat zijn ongeveer drie voetbalvelden? Dat lijkt me eerlijk gezegd wel heel veel.
Bij de definitie werd het begrip touwlijk gebruikt.
Lijk en hoek zijn onderdelen van een zeil. De zijkanten van een zeil heten: lijk. De onderkant heet onderlijk, de linkerkant heet voorlijk, de rechterkant heet achterlijk. Het bovenlijk komt alleen voor bij een vierkant zeil.en lijk is de zijkant van een zeil: in de zoom was vroeger een touw ingenaaid
info over lijk: zeilsloepkota.jimdofree.com.
5b HOE WERKTE EEN ZEILMAKER? (zeil maken: mijn zuiderzee)
Grappig dat woord ‘lijk’. Fijn dat ik nu een zin begrijp als: de zeilmaker begint met de lijken rond het zeil te leggen.
Touwen en zeilen, ringen en blokken staan in verbinding met elkaar.
Het met de hand maken van zeil is zwaar handwerk. Het geweven zeildoek moet sterk zijn en is dus dik: het op en aan elkaar bevestigen van meerdere lagen zeildoek (nu we een machine hebben, noemen we dat doorstikken) was zwaar werk.
De werkplaatsen waren groot met grote vloeroppervlakten.
Zeilen maken gaat in banen: via de stroken geweven zeildoek bouw je de benodigde oppervlakte op. Zelfs op de geweven wandkleden zijn die banen goed te zien.
Een zeilmaker maakt het zeil volgens een nauw beschreven plan: het bestek.
Een zeil met vier punten kent de nok, rak, schoot en de hals.
Een zeilmaker heeft eigen gereedschap; onder andere naalden in een serie van 15 groottes. De zeilmaker heeft vaak dierlijk vet nodig om met zijn naald door de stof te komen. Hij heeft een vingerhoed van leer.
Een zeilmaker heeft collega’s: in zijn eentje zou hij maanden werken aan één zeil.
Een zeilmaker doet met die collega’s anderhalve week over het maken van een grootzeil. Maar ik lees ook: 12 dagen met meerdere zeilmakers.
Ongetwijfeld spreken we niet over achturige werkdagen; ik denk eerder aan roosters van 7 tot 7 en wellicht nog langer.
Feye Zeilinga 1839 – 2 eeuwen zeilmakerij
6 AMBACHTEN, ROND HENNEP UIT KROMMENIE: ZEILDOEKHISTORIE
6a ONBETAALDE AMBACHTEN EN BEROEPEN ZONDER NAAM
In hoofdstuk 8 staat het overzicht van de fases in de verwerking van hennep.
Hoe verder in de verwerkingsketen, hoe vaker je kunt zeggen dat iedere fase een apart beroep was; bijvoorbeeld het beroep van wever of het zojuist beschreven beroep van zeilmaker.
Deze beroepen konden een vol jaar achter elkaar worden uitgevoerd, omdat de grondstoffen (garen, geweven zeildoek), als ware dat vanzelfsprekend, al klaar lagen.
6a1 : DE VOORWAARDENSCHEPPENDE FASES
In de fases vóór in de productieketen zit het werk dat onzichtbaar geleken zal hebben. Niemand zag hoe de hennep werd gezaaid, bestoven, geoogste, gedroogd, enzovoorts.
Voor de wever van het zeildoek, zal het vanzelfsprekend zijn geweest dat hij kon beschikken over garens om mee te weven.
Een aanzienlijk deel van dat gesponnen garen zal zijn geleverd door de spinhuizen.
Iedere stad had wel een spinhuis.
De touwslager kon beschikken over vlas of hennep dat al was gehekeld, gekamd.
De fases van zaaien, oogsten, roten, drogen, de bast verwijderen, de vezels kammen en wellicht ook al spinnen was onzichtbaar, voorwaardenscheppend werk voor vrouwen.
Een aanzienlijk deel van dat gesponnen garen zal zijn geleverd door de spinhuizen. Iedere stad had wel een spinhuis.
In de zestiende eeuw werd op vrijwel iedere kleine boerderij kleinschalig thuis geweven. Na de oogst van vlas en hennep, na de fases van het verwerken tot vezels werd het garen gesponnen, waarna de stof in de wintermaanden werd geweven.
Het gebied rond Krommenie groeide in honderden jaren uit tot het centrum van de Nederlandse zeildoekwevers.
De productie was dermate groot dat het woord industrie op zijn plaats zou zijn, maar omdat het wat de textiel betreft steeds handwerk betreft geef ik de voorkeur aan woorden als wevers, spinners, enzovoorts. (artikel HGC – Krommenie.nl Jan Emmerig)
In de zestiende eeuw werd al kleinschalig thuis geweven; dat was zo goed als landelijk gebruikelijk: ook bijvoorbeeld in Brabant brachten boerengezinnen de winters al wevend door.
Maar….molens kunnen we wel de eerste machines noemen. Het feit dat er in de Zaanstreek vijftien hennepklopmolens stonden, maakt dat het woord industriële schaal toch weer wel op zijn plaats is.
Die molens konden overigens ook niet zonder zeilen. Wat dat betreft was heel de Zaanstreek afhankelijk van zeildoek en wind. En heel de welvaart uit de Gouden Eeuw zo evenmin mogelijk zijn geweest zonder de VOC en WIC zeilschepen.
6b HOEVEEL WERD GEWEVEN IN KROMMENIE EN ASSENDELFT?
In 1851 had Krommenie 2500 inwoners.
Die inwoners beschikten over 434 weefgetouwen waarop 20.588 rollen zeildoek werden geproduceerd. Dan maakte één weefgetouw, beter gezegd één wever of weefster, iedere week één rol zeildoek.
Op zo’n rol zaten 100 Amsterdamse ellen. Eén zo’n el was 68,8 meter.
Dus één wever/weefster weefde zeventig meter per week. Dat is tien meter per dag. Dat is…tja…dat wordt raden naar het aantal werkuren per dag…waarschijnlijk was dat weefgetouw 24 uur per etmaal productief. Want wanneer we tien meter lengte delen door twintig werkuren dan kom je uit bij vijftig centimeter weven per uur. Een wever had een weefloon van enkele guldens per week.
Een wever had een weefloon van enkele guldens. In 1725 werden 33.272 rollen geproduceerd.
41 rolreders waren dat jaar actief in Krommenie. (WIKIPEDIA – Krommenie)
In 1731 werden in Nederland 60.000 rollen zeildoek gemaakt. Meer dan de helft daarvan kwam uit Krommenie. (Hoogendoorn)
Op de site ‘Zaanwiki staan meerdere artikelen, bijvoorbeeld over de ‘hennepklopperij’ en ‘zeildoekweverij’ over de arbeidsomstandigheden van de wevers van die tijd.
HET BEROEP ROLMETER
Er bestond een apart beroep ‘rolmeter’; deze functionaris mat vanaf 1656 de lengte van de rollen stof (in aantal Amsterdamse ellen) en legde de lengte vast in een apart loodje.
Ook hier zie je dus dat het woord zeildoek of canvas verdwijnt; het woord rol komt ervoor in de plaats. (HCG – Krommenie.nl)
EEN HANDELAAR IN ZEILDOEK HEETTE ROLREDER
De rolreder was een vak apart. Onder een andere naam (fabrikeur bij de thuiswevers in Brabant, ….bij de zijdewevers in Lyon) herken ik een patroon. Het begint met het opkopen van het product. In het begin zullen voor de wevers aantrekkelijke prijzen zijn geboden. Vervolgens leverden ze ook de grondstoffen: rolreders hadden contracten met de spinhuizen overal in den lande.
Vervolgens konden ze ook andere diensten verlenen: krediet verschaffen voor een door hen te leveren weefgetouw….
en zo langzaam aan verdween de zelfstandigheid van de thuiswevers…
7 VIJFTIEN HENNEPKLOPMOLENS (MET ZEIL 🙂 VORMDEN ONDERDEEL VAN EEN INDUSTRIELE VERWERKING VAN HENNEPVEZELS
De sites van Historische Genootschappen spreken over vijftien hennepklopmolens, die een onvervangbare bijdrage leverden aan het ambachtelijke proces om de textielvezels uit de stengel te krijgen.
Een windmolen kunnen we wel degelijk een machine noemen: een machine op windkracht. Dus het woord industrie is wel op zijn plaats waar het de verwerving van de vezels betreft. Lang voordat het spinnen en het weven machines beschikbaar kwamen.
In de 17de eeuw beschikte de stad Krommenie over ongeveer 15 hennepklopmolens.
In heel Noord-Holland draaiden ongeveer duizend molens.
Er waren nog meer molentypes die werkten met hennep (zie De Zaansche MOLEN): naast de hennepklopmolen bestond ook de oliemolen en de beukmolen.
7a DE HENNEPKLOPMOLEN
Bij Wikipedia wordt het goed uitgelegd (vindbaar onder het kopje beukmolen.)
Er kan makkelijk verwarring ontstaan, omdat woorden, betitelingen op elkaar lijken; bijvoorbeeld hennepmolen, hennepbeukmolen en braakmolen lijken synoniem te zijn. Ik volg nu het Wikipediawoord ‘Beukmolens’.Wikipedia noemt het ‘hennepbeukmolens of braakmolens die gebruikt werden om de houtige delen van de gedroogde vlas- en vooral ook hennepstengels te breken (het braken) om aldus de houtige delen te verwijderen, waardoor de hennep en/of vlasvezels vrijkwamen.
Het vooraf laten rotten (roten) is hierbij nog steeds nodig. De bundels vlas of hennep worden op een hardstenen komvormige bodem gelegd, waarover een ronde steen. vaak een afgekeurde molensteen, bewoog.
7b DE OLIEMOLEN
In de Zaanstreek waren vijf oliemolens. Momenteel (2026) is er nog één oliemolen dagelijks in bedrijf.
In de Zaanstreek werden oliemolens vooral gebruikt voor de fabricage van verf. Lijnolie met pigment… en je hebt olieverf. Olie voor olieverf dient koud te worden geperst.
De olie uit de vlas- en hennep is geschikt voor consumptie: pindakaas, mosterd en mayonaise, schat ik.
7c DE BEUKMOLEN
Een beukmolen heeft houten stampers. Die gewichten waren nodig om de stengels van hennep als het ware te vermorzelen, zodat de binnenste vezels, grondstof voor draad, bestemd voor textiel bereikbaar werden.
Daarnaast bestond er een systeem waarin het restanten van hennep in zakken werd gedaan, waarin zich door het beuken als het ware een soort puree vormde.
Uit die puree werden veevoederkoeken gemaakt; lijnkoeken genaamd.
Lijn is vlas.
7d WERKOMSTANDIGHEDEN IN HENNEPKLOPMOLENS
De werkomstandigheden in de molens waren onmenselijk: het was er donker.
Licht bestond destijds alleen in de vorm van een kaarsvlam, open vuur dus, hetgeen gevaarlijk was in verband met brand. Vandaar dat licht in molens verboden was. Het kloppen van de molens maakte veel lawaai die gehoorschade met zich meebracht.
De kloppers van de molen waren meedogenloos: een hand verliezen was niet ondenkbaar, want de hennepstengels dienden steeds op een andere plek geklopt, gekneusd te worden.
Kinderen vanaf twaalf jaar werkten ‘gewoon’ een lange werkdag mee.
8 VAN PLANT NAAR GEWEVEN ZEILDOEK
In het hoofdstuk over vlas staan de vele ambachtelijke stappen beschreven, die de zaaier, de vele bewerkers van vlas achtereenvolgens dienden te zetten om het bizar arbeidsintensieve proces van de voor het textiel zo geschikte vezels uit de stengel te halen.
Waarna kon worden begonnen het het bewerken van die vezels: kammen, spinnen, weven.
Veel stappen in de bewerkingen rond vlas en linnen komen overeen met de fases in de bewerkingen van hennep en canvas.
Maar belangrijk is te realiseren dat een vlasplantje, een rank plantje, een totaal ander volume inneemt dan hennep.
Hennep kunnen we qua uiterlijk vergelijken met bamboe: een lange dikke stugge stengel. Je kunt met die lange staken geen schattige kapellekens op het land zetten.
Van tijd tot tijd lees je kenmerkende verschillen in de productie van vlas en hennep. Ik wil niet alle overeenkomende, gelijknamige stappen van vlas herhalen bij hennep.
De verschillen heb ik hieronder wel benoemd.
- HET ZAAIEN VAN HENNEP (IN DE VOC-TIJD)
Bij scribd.com is te lezen dat voorafgaand aan het zaaien al werd bedacht, waar de vezel van de hennep voor gebruikt zou gaan worden. Indien het staand touw diende te gaan worden, het touw dat de mast op zijn plaats hield, dan werd ruimer gezaaid, zodat de hennepplanten meer ruimte kregen.
De ruimte bij het zaaien en de duur van de rijping bepaalde dus al de dikte van het uiteindelijke touw. daar hield men van te voren rekening mee. - MANNELIJKE EN VROUWELIJKE PLANTEN
Het hennepgewas kent óf mannelijke óf vrouwelijke planten.
Na de bestuiving worden de mannelijke planten geoogst.
De vrouwelijke planten groeien vervolgens nog wel een maand langer door.
Hun bast wordt dan substantieel dikker.
Alleen roten is na het oogsten niet voldoende om bij de begeerde binnenste textielvezels te komen.
Alleen braken/breken van de buitenkant is niet genoeg: de harde stengels dienen te worden geschild. Ik schat in dat de molens daarom zo’n uitkomst waren.
2a De vrouwelijke planten leverden na hun bloei ook weer zaad voor het volgende jaar.
Dat zaad diende ook geoogst te worden: ik denk dat dat dorsen heet. - HET VERVOER VAN DE GEOOGSTE HENNEPPLANTEN
Een hennepstengel is een lange staak, die aan bamboe doet denken.
Als je hennepstengels wilde vervoeren werd dat via de watertjes, voormalige trufvaarten naar de rand van het perceel gebracht.
Om de boten met het hoog gestapelde hennep onder door de bruggen te kunnen laten varen, werden hoge bruggen gebouwd. - HET ROTEN BIJ HENNEP IS EEN ANDER VERHAAL DAN HET ROTEN VAN VLAS
Over het roten van vlas las ik dat zich tegenstrijdige belangen konden voordoen: bijvoorbeeld aan een rivier waar vlasplanten werden geroot, kon een tiental kilometer verderop een bierbrouwerij liggen.
Die brouwerij kon dan aan de kwaliteit van het water merken dat er stroomopwaarts rottend vlas in had gelegen. Vanzelfsprekend liet de brouwerij dat niet oogluikend toe.
Hetzelfde kon gelden voor papiermakerijen: ook voor papier heb je schoon water nodig.
Het roten van vlas in stromend water was ongezond: er ontwikkelden zich ziekmakende bacteriën.
Het roten van hennep is een nog heftiger verhaal: hennep werd volledig afgedekt in stromend water gelegd: alle leven in zo’n rivier, de planten, de dieren, gingen dood. De stank was in de wijde omgeving zeer heftig. Het was gevaarlijk: wanneer de hennepkweeksters zich in het water begaven om te kijken of de stengel al uit het water kon worden gehaald kon ze besmet raken met gevaarlijke bacteriën.
Boerderijen die een eigen hennepveldje hadden, legden de stengels in het water rond hun eigen boerderij. - HET SCHILLEN VAN DE HENNEPSTENGELS WAS EEN EXTRA BEWERKING
Omdat de vrouwelijke hennepplanten langer doorgroeiden, ontwikkelde zich een dikkere bast die na het rotten alsnog diende te worden geschild.
Ik neem aan dat daarvoor de vijtien hennepklopmolens in de Zaanstreek een uitkomst waren. - OOK EEN VERSCHIL MET VLAS: HET MOMENT VAN STOPPEN MET ROTEN BEPAALT DE KLEUR.
Vlas dat is geroot wordt meestal beige van kleur; dat wat wij naturel noemen.
Er waren zeker behandelingen nodig om linnen stralend wit te krijgen, maar dat viel min of meer in de categorie huis- tuin en keukenmiddeltjes.
Bij hennep is dit niet het geval: dat kan geel of groen zijn (dan heeft het eigenlijk niet lang genoeg geroot) tot donkerbruin (dan heeft het eigenlijk te lang geroot.)
Tot de dag van vandaag worden hennepoogsten gemengd: oogsten van vele herkomsten van verscheidene jaren worden gemengd om een soort basiskleur, die ook weer naturel is, te krijgen. - Het was een beslissing van vakmensschap om het tijdstip te bepalen: wanneer te stoppen met roten luisterde zeer nauw: als je te lang wachtte, was de begeerde hennepvezel min of meer weggerot. Als je ze te kort liet rotten, kreeg je de vezels er niet uit.
- De gerote hennepstengels moesten vervolgens ook weer drogen. Soms gebeurde dat in ovens.
BOVEN GENOEMDE HANDELINGEN/FASES DEDEN ZICH ÉÉN MAAL PER JAAR VOOR.
DE WERKERS IN DE VLAS- EN HENNEPTEELT DIENDEN ZICH TE VOEGEN NAAR HET TIJDSTIP DAT DE NATUUR VOORSCHREEF: TIJD OM TE ZAAIEN, TIJD OM TE OOGSTEN
DE GRONDSTOF VOOR HET ZEILDOEK VORMDE ZICH IN DEZE FASEs.
DE DAAROP VOLGENDE FASES VAN HET BRAKEN EN HEKELEN, SPINNEN, WEVEN KONDEN ZICH OVER HET JAAR HEEN VERSPREIDEN. - BRAKEN EN HEKELEN: De hennepvezel moest intact zijn om de bewerkingen van het braken en hekelen aan te kunnen.
Bij beroepen van toen zag ik een foto van een gereedschap waarvan ik denk dat het voor het braken van vlas werd gebruikt.
…een hekel is gereedschap met staande ijzeren pinnen: de hennepdraden zaten na alle bewerkingen verward in een soort bol door elkaar. Die bol met verwarde hennep werd daar doorheen geslagen en getrokken, zodat de hennepvezels allemaal in een richting kwamen te liggen.
Bij beroepen van toen lees ik dat het beroep Hekelster, of hekelaarster bestond.
Een beroep over het jaar heen kon worden uitgeoefend: zeer zwaar werk. - De gekamde gladde hennepvezels kunnen wel zestig centimeter lang zijn en zijn geschikt voor het spinnen van garens. Het spinnen van de weefdraad vraagt meer uren dan het weven. Eén spinster kon in tijd niet één weefster/wever voorzien van benodigd garen.Wanneer je over garens beschikt, kun je gaan weven.
- Het opbomen van het weefgetouw wordt uitgebreid beschreven bij het weven van vlas. En het zal ook aandacht krijgen bij het hoofdstuk over weven.
- En wanneer het weefgetouw is opgeboomd, zeer arbeidsintensief werk, kon worden gestart met weven.
9 MOGELIJK IMPORT VAN GEHEKELDE EN/OF GESPONNEN HENNEP
In 1672, het rampjaar werden grote delen van Nederland onder water gezet.
Dat was funest voor de kwaliteit van de landbouwgrond: alle meststoffen spoelden weg.
In Oudewater, het centrum van de touwslagerijen, vond men een oplossing voor het gebrek aan grondstoffen voor touw, aan hennep: men importeerde hennep uit Rusland.
Met name uit de regio welke wij nu de Baltische staten noemen.
In Oudewater worden kwaliteitsloodjes van die ingevoerde hennep nog altijd in de bodem gevonden.
Even dacht ik: gelukkig… een aanwijzing dat onze voormoeders dat zware onaangename werk niet eeuwenlang deden: door het ongeluk van de oorlog en de overstroming, kon het onmenselijk zware werk niet meer worden uitgevoerd.
Maar toen dacht ik aan de lessen die ik leerde uit de textielgeschiedenis van bijvoorbeeld Egypte: er zijn slaven die dit werk doen.
Ik typte als digitale zoekvraag: bestond er slavernij in Rusland in de zeventiende eeuw? Het antwoord luidde: nee, officieel bestond er geen slavernij, maar de invulling van het begrip lijfeigenschap was vele malen harder dan in onze samenleving. Bijvoorbeeld geseling was toegestaan.
Ik dacht al eerder: er was zoveel hennep nodig voor die zeilen…..
Zo groot was Noord-holland nou ook weer niet. Ook in Oudewater was de vraag naar hennep onverminderd hoog.
De contacten met Rusland kwamen zeer snel tot stand: die hoefden niet vanaf de eerste kennismaking te worden opgebouwd.
Wellicht lagen er al wat lijntjes.
10 DE KLEUR VAN HENNEP ZEILEN
Ik meende dat zeilen van de V.O.C. schepen wit waren. Zo zie ik hen immers afgebeeld op de imposante werken over de zeeslagen.
En op historische sites wordt verteld dat het licht van de zon en het zoute water zorgden voor een blekende werking. Ik vond het aannemelijk klinken.
Maar… de touwen en de zeilen waren kwetsbaar voor rotting, voor bacteriën. Indien de touwen en de zeilen niet werden getaand, zouden ze na ongeveer twee jaar geen dienst meer kunnen doen. Door ze te tanen deden ze ruim tien jaar dienst.
Sowieso werden touwen van zeeschepen jaarlijks getaand. In taanderijen: (zie ook de info bij Tanen bij Touw)
En vissersschepen…in hun netten bleven vanzelfsprekend organische resten achter van de gevangen vis. Vissers taanden dan ook wekelijks hun netten.
Taan was, vóór de VOC gemalen schors van de eik, soms ook berk. Maar de VOC schepen brachten de schors mee van bomen als de betelpalm, de mimosa en de acacia uit India.
Uiteindelijk ontstond een mengsel dat voldeed: cachou Er zit kleurstof in, die de zeilen bruin kleurt.
11 Hoe de zeildoeken van hennep verdwenen
Aan het eind van de achttiende eeuw (1794) namen de Franse soldaten Nederland in. Ze liepen eenvoudig het land in: de rivieren waren bevroren.
Daarna bleef vrijwel niets zoals het was. Er kwam een einde aan de gildes.
De negentiende eeuw zou een zeer arme tijd worden met veel ziektes en kindersterfte.
11a DE STOOMMACHINES
In het rechtbankverslag uit 1886 over het faillissement van de (laatste) zeildoekfabriek uit Krommenie staat dat het bedrijf nog tien handwevers in dienst had. Kort daarvoor waren nog 80 wevers in dienst geweest, maar door de komst van een op stoom gedreven weefapparaat waren zoveel wevers niet meer nodig.
En met de begrippen stoom en stoommachine hebben we gelijk de oorzaak te pakken voor het verdwijnen van het weefambacht thuis.
Stoommachines kregen uiteindelijk (er is zeker ook aarzeling en verzet geweest) hun plaats op boten.
Eind negentiende eeuw werd de laatste hennepklopmolen afgebroken (Historisch genootschap Krommenie).
In het verslag over die laatste weverij staat beschreven dat weven zwaar werk is. De wevers maken dagen van twaalf uur: van ’s morgens zeven uur tot ’s avonds zeven uur.
Tenminste….alleen in rustige tijden, want in geval van drukte werken de wevers vijftien uur per etmaal van ’s morgens vijf uur tot ’s avonds acht uur.
11b ZEILDOEKMAKERIJEN BESTAAN NOG ALTIJD.
De traditionele ateliers om zeildoeken te maken gingen met hun tijd mee: er kwamen naaimachines die konden stikken. Het handwerk verdween.
Het ambacht van een zeildoek maken bestaat nog altijd. Iedere zeilboot die we zien op een meer of zee: al hun zeilen zijn op maat gemaakt.
De hennep is vervangen door fossiel textiel: maar het ambacht om van betrekkelijk smalle stroken stof volgens een welhaast wiskundig patroon een groot en zo sterk mogelijk zeildoek te maken houdt nog direct verband met de kunde van de ongelooflijk harde werkers in alle landen waar ze grote zeevloten hadden: Spanje, Portugal, Engeland en Nederland.
11c TRADITIONEEL AMBACHT
En zoals er traditionele opleidingen bestaan voor vrijwillige molenaar, zo wordt ook het ambacht van op de traditionele manier handmatig zeilen maken via opleidingen doorgegeven aan geïnteresseerden.
In het overzicht van kunstenaars, ná de literatuur is op de wandtapijten te zien hóe de zeilen werden opgebouwd: de relatief smalle banen geweven stof werden aan elkaar bevestigd.
12 Hennep nu
Alle sectoren in de samenleving (bouw, medisch, textiel, iedereen die milieubewust wil zijn) zien in dat het telen van hennep alleen maar voordelen biedt.
Het is daarbij pijnlijk en onontkoombaar om te zien hoeveel deskundigheid verloren gaat wanneer een sector tachtig jaar wordt stil gelegd.
Ik las op een site: ‘Ja, het gaat goed met de hennep….maar dat schreven we twintig jaar geleden ook al. In die twintig jaar is niet de vooruitgang te zien die er decennia geleden aan leek te komen.’
Een van de dingen waar moderne ondernemers tegenaan lopen is: hennep wordt maar één keer per jaar geoogst; terwijl je bijvoorbeeld voor de bouw een jaar lang constante aanvoer zou wensen.
Zo’n probleem lijkt niet moeilijk op te lossen: een kwestie van voorraden aanleggen zodat je een jaar lang uit de voorraad kunt putten. Blijkbaar zijn de organisatievormen of het geld er niet.
Wat vezelhennep en textiel betreft: de spinmachines zijn uit Nederland verdwenen, dus de eenmaal geoogste hennep wordt naar China getransporteerd om daar te roten….weten we zeker dat dat niet de taak is van onderdrukte bevolkingsgroepen?
Om met een glimlach te eindigen: er zijn enkele interessante apart te benoemen verschillen tussen de hedendaagse teelt en het verleden.
– …:-)….Zo adviseert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, vanwege de maatschappelijke gevoeligheid, om ….
vóór het zaaien van hennep de politie op de hoogte te brengen.
Dát zal in de VOC tijd niet nodig zijn geweest.
Bij hempcollective.nl lees ik dat het telen van hennep in Europa nog steeds gevoelig kan liggen.
De link hennep – psychoactieve stof blijkt een diep verankerde associatie.
– In Nederland bestaat de mogelijkheid om subsidie te krijgen op het telen van hennep: ook dat zal honderden jaren geleden niet het geval zijn geweest.
============================================
LITERATUUR:
- Illustratie: Lithografie van een Vikingschip, gemaakt door Christian Blache in Jernaldo 1898. Wikimedia Commons. Zelf vond ik deze afbeelding in Geschiedenis Magazine.
- Q-files – de Grote Online Encyclopedie. – Het is een didactisch verantwoorde site voor kinderen. Vraagt, na een eerste gratis week, een bijdrage van enkele euro’s per maand,
- KLOKHUIS: Hoe zijn de VOC en de WIC ontstaan?
- wiki – groenkennisnet.atlassian.net
- Q-files – de grote online encyclopedie
- Historisch genootschap Krommenie – hgc – Krommenie.nl
=============================
KUNSTWERKEN OVER ZEILEN EN ZEILDOEK
In het Zeeuws Museum in Middelburg bevindt zich een grote zaal, die naar mijn mening toch nog te klein is. Zes zeer grote wandtapijten verbeelden zes zeeslagen, veroveringen die plaatsvonden eind zestiende eeuw: nog vóór de VOC-tijd.
Dat ik de zaal te klein vind, komt: de benodigde afstand om een foto van een wandtapijt in zijn geheel te maken, is er niet, vandaar de detailfoto’s.

Ik vind de wandtapijten, de lengtedraden zijn van wol en de breedtedraden zijn van zijde, onaards mooi; technisch perfect.
De wandtapijten verbeelden een zestal zeeslagen die zijn gevoerd van 1593 en 1604.
De staten van Zeeland was de opdrachtgever. De wandtapijten hingen in de vergaderruimtes van provinciehoofdstad.
De wandtapijten hadden meerdere functies:
– het imponeren van iedereen die de zaal binnenkwam,
– de kleden hadden ook praktisch nut: ze hielden warmte vast en ze waren nuttig tegen de tocht.
– en vooral dienden ze om de belangrijke informatie over te dragen: de bevrijding van de Spanjaarden vond plaats in Zeeland.


Bijvoorbeeld: de slag bij Bergen op Zoom in januari 1574. De Spanjaarden wilden met een grote vloot (54 oorlogsschepen en 29 bevoorradingsschepen) Middelburg bereiken. Het lukte om enkele schepen te laten zinken, waarna de Spanjaarden de aftocht bliezen en Middelburg weer Nederlands werd.


Het zijn de watergeuzen die de bevrijdingsslagen inzetten voor Zeeland. De Watergeuzen waren tot 1572 échte zeerovers. Ze hadden niet de toestemming, vergunning van de Nederlandse regering, om schepen aan te vallen. Wanneer ze een boot beroofden, dan hielden ze de opbrengst zelf.


Watergeuzen waren uitgesproken protestants, zelfs antikatholiek: ‘Velen trachtten zich in Engeland te vestigen, maar een groot aantal bleef als watergeus op zee actief. Deze bannelingen en oproerlingen waren vermengd met dieven en avonturiers.’ Wikipedia Watergeuzen.

De wandtapijten zijn ontworpen door Hendrik Cornelisz. Vroom (1566 – 1640) Hij was een Nederlandse ontwerper van wandtapijten, graveur, tekenaar en schilder.
Hij ontwierp in 1596 de serie wandtapijten.
Deze Zeeuwse wandtapijten zijn geweven in de ateliers van Jan en Hendrick de Maecht.
Op ‘smit.rkdstudies.nl’staat veel info over wandtapijten. De titel luidt: Geschiedenis van het wandtapijt in West-Europa.
Laatst bewerkt: 6 mei 2026

